Wetgeving

De wet als fundament

Het Nederlands jeugdstrafrecht is verspreid over meerdere wetten. Hieronder de belangrijkste wettelijke bepalingen, van het Wetboek van Strafrecht tot het Burgerlijk Wetboek. De teksten zijn vereenvoudigd weergegeven; raadpleeg voor de letterlijke wettekst altijd wetten.overheid.nl.

Kern van het jeugdstrafrecht

Jeugdstrafrecht als hoofdregel (art. 77a Sr)

Wie bij het plegen van een strafbaar feit 12 jaar of ouder maar nog geen 18 is, valt onder het jeugdstrafrecht van art. 77a e.v. Sr. Dat strafrecht kent eigen straffen en maatregelen, lagere maxima en een sterke nadruk op opvoeding en herstel. Kinderen onder de 12 kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd.

Sancties

Straffen en maatregelen voor jeugdigen (art. 77h Sr)

Art. 77h Sr somt op welke straffen en maatregelen de rechter een jeugdige kan opleggen. De hoofdstraffen zijn jeugddetentie, de taakstraf en de geldboete. Daarnaast bestaan onder meer de PIJ-maatregel, de gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) en de schadevergoedingsmaatregel, waarmee de jeugdige de schade van het slachtoffer moet vergoeden.

Maatregel

De PIJ-maatregel (art. 77s Sr)

De plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) combineert beveiliging met behandeling in een justitiële jeugdinrichting. De rechter kan de maatregel opleggen bij ernstige misdrijven als de veiligheid van anderen dat eist en het in het belang is van de ontwikkeling van de jeugdige. De PIJ kan ook voorwaardelijk worden opgelegd. Verlenging na drie jaar kan alleen bij een geweldsmisdrijf (art. 77t Sr).

Uitzondering

Volwassenenstrafrecht voor 16- en 17-jarigen (art. 77b Sr)

Bij 16- en 17-jarigen kan de rechter het volwassenenstrafrecht toepassen als de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Voor feiten van vóór de 16e verjaardag kan dat niet (HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:289).

Jongvolwassenen

Adolescentenstrafrecht voor 18- tot 23-jarigen (art. 77c Sr)

Omgekeerd kan de rechter het jeugdstrafrecht toepassen op jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar, als de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Zo kan een sanctie beter aansluiten bij de ontwikkelingsfase van de jongere.

Civielrechtelijk

Verantwoordelijkheid van ouders (art. 6:169 BW)

Ouders zijn civielrechtelijk aansprakelijk voor schade die hun kind tot 14 jaar aanricht. Voor kinderen van 14 en 15 jaar geldt een weerlegbare aansprakelijkheid: ouders kunnen zich ontslaan van aansprakelijkheid door aan te tonen dat hen geen verwijt treft in het toezicht of de opvoeding.

Bescherming

Ondertoezichtstelling (art. 1:255 BW)

Naast het strafrecht kent het jeugdrecht een beschermingskant. De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd (art. 1:255 BW), en zo nodig een machtiging tot uithuisplaatsing geven. De Jeugdwet regelt de gemeentelijke jeugdhulp. Deze civiele kant raakt strafzaken via de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering.

Leeftijdsgrenzen in het jeugdstrafrecht

< 12
Niet strafrechtelijk aanspreekbaar; de politie kan het kind verwijzen naar Jeugd en Veiligheid / Veilig Thuis.
12–16
Jeugdstrafrecht met verlaagde strafmaxima; jeugdgevangenisstraf van maximaal 12 maanden.
16–17
Jeugdstrafrecht met jeugdmaxima; jeugdgevangenisstraf van maximaal 24 maanden. Uitzonderlijk kan volwassenenstrafrecht worden toegepast (art. 77b Sr).